leeglopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leeg·lo·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leeglopen
/ˈlexlopən/
liep leeg
lip lex
leeggelopen
ˈlexəlopən
klasse 7 volledig

Werkwoord

leeglopen

  1. (ergatief) geleidelijk zijn inhoud verliezen
    De band was lek en liep zachtjes leeg.
Vertalingen