trippen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trip·pen

Zelfstandig naamwoord

trippen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord trip


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trippen
tripte
getript
zwak -t volledig

Werkwoord

trippen

  1. (inergatief) dol zijn op
  2. (inergatief) met huppelende kleine pasjes of sprongetjes lopen
  3. (inergatief) hallucineren door het gebruik van drugs
Hyponiemen
Afgeleide begrippen