gaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: gaan (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χan/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ɣan/
Woordafbreking
- gaan
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gaan |
ging |
gegaan |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
gaan
- (ergatief) zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af.
- Hij ging naar Amerika.
- (hulpwerkwoord) vormt een onmiddelijke toekomende tijd.
- En nu ga ik slapen.
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
Afgeleide begrippen
Scheidbare en onscheidbare werkwoorden afgeleid van gaan
|
|
Vertalingen
1. zich in een bepaalde richting bewegen