gaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| gaan | gaand |
| gang | gegaan |
Uitspraak
- Geluid: gaan (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χan/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ɣan/
Woordafbreking
- gaan
Woordherkomst en -opbouw
|
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gaan |
ging |
gegaan |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
gaan
- (ergatief) zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af
- Hij ging naar Amerika.
- mogelijk zijn
- Dat gaat niet.
- (hulpwerkwoord) vormt een onmiddellijke toekomende tijd
- En nu ga ik slapen.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Scheidbare en onscheidbare werkwoorden afgeleid van gaan
|
|
Uitdrukkingen en gezegden
- aan de slag gaan
gaan werken
- ervandoor gaan
weggaan
- te boven gaan
- uit zijn dak gaan
zeer boos worden
- voor iets gaan
- zijn haren gingen (recht) overeind staan
Vertalingen
1. zich in een bepaalde richting bewegen
aan de slag gaan
|
ervandoor gaan
|
uit zijn dak gaan
|
Zijn haren gingen (recht) overeind staan.
|
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| gaan |
gegaan |
| volledig | |
Werkwoord
gaan
- gaan
- «Ek gaan môre rugby speel.»
- Ik ga morgen rugby spelen.
- «Ek gaan môre rugby speel.»
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 7 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Hulpwerkwoord in het Nederlands
- Woorden in het Afrikaans
- Niet-samengesteld werkwoord in het Afrikaans
- Werkwoord in het Afrikaans