loper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[4] Een witte loper]
[7] Een wrijfplaat met loper voor het fijnwrijven het pigment

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van de werkwoordstam van lopen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord loper lopers
verkleinwoord lopertje lopertjes

Zelfstandig naamwoord

loper m

  1. iemand die loopt:
    Wie de 10 km niet in circa 60 minuten kan lopen, wordt als beginnende loper beschouwd.
  2. een sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
  3. een woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
  4. (schaak) een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
  5. een langgerekt stuk vloerbedekking:
    De rode loper voor iemand uitrollen.
  6. een tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
  7. (gereedschap) een stuk gereedschap waarmee stoffen op een wrijfplaat fijngewreven worden
    Voor het maken verf wrijf je met een loper het pigment fijn.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie