loper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van de werkwoordstam van lopen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord loper lopers
verkleinwoord lopertje lopertjes

Zelfstandig naamwoord

loper

  1. iemand die loopt:
    Wie de 10 km niet in circa 60 minuten kan lopen, wordt als beginnende loper beschouwd.
  2. een sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
  3. een woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
  4. (schaak) een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
  5. een langgerekt stuk vloerbedekking:
    De rode loper voor iemand uitrollen.
  6. een tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen