loper
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lo·per
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | loper | lopers |
| verkleinwoord | lopertje | lopertjes |
Zelfstandig naamwoord
loper m
- iemand die loopt:
- Wie de 10 km niet in circa 60 minuten kan lopen, wordt als beginnende loper beschouwd.
- een sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
- een woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
- (schaak) een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
- een langgerekt stuk vloerbedekking:
- De rode loper voor iemand uitrollen.
- een tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
- (gereedschap) een stuk gereedschap waarmee stoffen op een wrijfplaat fijngewreven worden
- Voor het maken verf wrijf je met een loper het pigment fijn.
Synoniemen
- [2] moedersleutel
- [4] raadsheer
Verwante begrippen
- [7] wrijfplaat
Vertalingen
2. een sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
4. een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.