weglopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- weg·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| weglopen |
liep weg |
weggelopen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
weglopen
- (ergatief) een plaats verlaten
- Hij is net weggelopen.
- (ergatief) ~ van iemand of iets verlaten (al dan niet lopend)
- Hij was van huis weggelopen.