sukkelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- suk·ke·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sukkelen |
sukkelde |
gesukkeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
sukkelen
- (inergatief) kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek
- Hij heeft nog lang gesukkeld na zijn been gebroken te hebben, maar nu is hij weer de oude.