rondlopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rond·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rondlopen |
liep rond |
rondgelopen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
rondlopen
- (ergatief) een gesloten kromme lopend volmaken
- Ze zijn al drie keer rondgelopen en moeten nog twee rondjes.
- (inergatief) herhaaldelijk ongericht lopen door een bepaald gebied
- Er lopen daar vaak een paar reeën rond.
Vertalingen
1.