binnenlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·lo·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenlopen
liep binnen
binnengelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

binnenlopen

  1. (ergatief) te voet binnengaan
    Hij was de verkeerde kamer binnengelopen en trok zich snel terug.
  2. (ergatief) (scheepvaart) een haven invaren
    Het schip was nog niet helemaal binnengelopen toen er een storm losbarstte.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen