wandelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wan·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wandelen
wandelde
gewandeld
zwak -d volledig

Werkwoord

wandelen

  1. (ergatief) gericht een wandeling maken
    Ik ben gisteren naar de Griete gewandeld.
  2. (inergatief) ongericht een wandeling maken
    Mijn vader heeft altijd veel gewandeld.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw
ofwel van *wandon "zich wenden, zich veranderen", oorsprong van het tegenwoordige "winden"
ofwel van *wandjan "wenden"[2]

Werkwoord

wandelen

  1. zich veranderen
  2. heen en weer gaan, ronddwalen
Overerving en ontlening
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl