wandelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈʋɑn.də.lə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
Woordafbreking
- wan·de·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wandelen |
wandelde |
gewandeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
wandelen
- (ergatief) gericht een wandeling maken
- Ik ben gisteren naar de Griete gewandeld.
- (inergatief) ongericht een wandeling maken
- Mijn vader heeft altijd veel gewandeld.