marcheren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·che·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
marcheren
marcheerde
gemarcheerd
zwak -d volledig

Werkwoord

marcheren

  1. (inergatief) lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
    Zij hadden al enige uren gemarcheerd.
  2. (ergatief) ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
    Ze waren nog niet over de brug gemarcheerd toen het zwaar begon te hagelen.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen