marcheren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mar·che·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| marcheren |
marcheerde |
gemarcheerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
marcheren
- (inergatief) lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
- Zij hadden al enige uren gemarcheerd.
- (ergatief) ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
- Ze waren nog niet over de brug gemarcheerd toen het zwaar begon te hagelen.