ontlopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontlopen |
ontliep |
ontlopen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
ontlopen
- (ergatief) een bepaald lot vermijden, ontkomen aan iets
- Hierdoor ontliepen de daders veelal hun straf en kon de schade niet worden verhaald.
- (wederkerig) elkaar ~ van elkaar verschillen
- De resultaten ontliepen elkaar niet veel.