vooroplopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·op·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vooroplopen
liep voorop
vooropgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

vooroplopen

  1. (overgankelijk) als voorste lopen
    Toen de drie Duitsers hier binnenkwamen, moesten wij hen helpen zoeken. Wij moesten de kasten en deuren openen en altijd maar vooroplopen. Nu, dat durfden wij wel te doen omdat we wisten, dat hier toch geen Russen waren. [1]
  2. (overgankelijk) (figuurlijk) op anderen vooruit zijn
    Dat doen we door samen te werken met partijen die in hun vak vooroplopen.
Synoniemen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Bron:
    T.M. Sjenitzer-van Leening (red.)
    Dagboekfragmenten 1940-1945
    Veen, Utrecht / Antwerpen 1985
    DBNL - Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen