rok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: rökrock

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rok rokken
verkleinwoord rokje rokjes

Zelfstandig naamwoord

rok m

  1. (kleding) een voornamelijk vrouwelijk buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de taille wordt gedragen en een deel van de benen bedekt
  2. (kleding) type avondkleding, rokkostuum
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het hemd is nader dan de rok
eigen familie gaat voor
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rokken

rok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rokken
    • Ik rok. 
  2. gebiedende wijs van rokken
    • Rok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rokken
    • Rok je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • rok
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok

  1. (kleding) rok, jurk
    «Murid perempuan memakai blus berwarna putih dan rok berwarna abu-abu.»
    Studentes dragen een witte bloes en een grijze rok.
  2. (muziek) rock


Pools

Zelfstandig naamwoord

rok m

  1. jaar