rook

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Rook.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rook
1 enkelvoud meervoud
naamwoord rook
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord rook roken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rook

  1. m een zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt [1]
    • De rook vloog door de wind recht mijn kant op. 
  2. v/m hooistapel [2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
roken

rook

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
    • Ik rook. 
  2. gebiedende wijs van roken
    • Rook! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
    • Rook je? 

Werkwoord

vervoeging van
ruiken

rook

  1. enkelvoud verleden tijd van ruiken
    • Ik rook. 
    • Jij rook. 
    • Hij, zij, het rook. 

Werkwoord

vervoeging van
rieken

rook

  1. enkelvoud verleden tijd van rieken
    • Ik rook. 
    • Jij rook. 
    • Hij, zij, het rook. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
rook rooks

Zelfstandig naamwoord

rook

  1. (vogels) roek.