rock

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rock
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘muzieksoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1965 [1]
  • van Engels rock (muziek- en/of dansstijl); verkorting van rock-'n-roll
enkelvoud meervoud
naamwoord rock -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rock m

  1. (muziek) een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
    • Ik luister liever naar rock dan naar house. 
  2. een dansstijl horende bij deze muziekstijl
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
rocken

rock

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rocken
    • Ik rock. 
  2. gebiedende wijs van rocken
    • Rock! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rocken
    • Rock je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
rock rocks


Woordafbreking
  • rock
Woordherkomst en -opbouw
  1. (zelfstandig naamwoord) Van Middelengels rocke/rokke, van Oudengels *rocc, van Oudnormandisch roc/roque (verwant aan het moderne Franse roche). Oorspronkelijk waarschijnlijk Keltisch, vanwege de overeenkomst met het Ierse roc en het Bretonse roch.
  2. (werkwoord) Van Middelengels rokken, van Oudengels roccian. Verwant met het Oudnoorse rykkja (trekken, scheuren, bewegen), Middelnederlands rucken (modern Nederlands rukken), Oudhoogduits rucchan (modern Duits rücken).

Zelfstandig naamwoord

rock

  1. rots
  2. steen
  3. gesteente
  4. ijsklontje
  5. suikerklontje
  6. rock (muziek- en/of dansstijl, afkorting van rock and roll)
  7. Afrikaner
  8. dom persoon
  9. stukje crack (cocaïne)
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening

Werkwoord

rock

  1. heen en weer bewegen
    • During the storm, the boat rocked violently on the waves. 
    • (Tijdens de storm bewoog de boot hevig heen en weer op de golven.). 
  2. opschudden, een emotioneel evenwicht doorbreken
    • British politics was rocked by another scandal. 
    • (De Britse politiek werd opnieuw opgeschud door een schandaal.). 
  3. uitmunten
    • This band rocks! 
    • (Deze band is heel goed!).