rokjas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

rokjas
Uitspraak
Woordafbreking
  • rok·jas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rokjas rokjassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rokjas v/m [1]

  1. (kleding) een jas die twee scherpe punten en lange panden bezit als deel van het rokkostuum
     Ook de koningsmantel kan van dichtbij worden bekeken. Uit onderzoek van het Koninklijk Huisarchief is gebleken dat het belangrijkste deel van de fluwelen stof nog stamt uit 1815, het jaar waarin de mantel voor het eerst is gebruikt. In de rokjas van Willem-Alexander was een ingenieuze draagconstructie verwerkt, zo onthult de expositie.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Jurk van Máxima en kroon trekkers op Het Loo” (06-05-2013), Reformatorisch Dagblad