hon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Angelsaksisch

Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

hon

  1. hangen
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon

Werkwoord

hon

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd gebiedende wijs bedrijvende vorm van honen
  2. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van honen
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen


Middelengels

Werkwoord

hon

  1. blijven hangen
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische on

Voorzetsel

hon

  1. op, in
Schrijfwijzen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische ān

Hoofdtelwoord

hon

  1. een, één

Persoonlijk voornaamwoord

hon

  1. men
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening


Riograndenser Hunsrückisch

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudhoogduitse havēn

Werkwoord

hon

  1. hebben


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

hon m

  1. drijfjacht; jacht waarbij het wild eerst in de richting van de jagers wordt gedreven


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon

Zelfstandig naamwoord

hon monbezield

  1. drijfjacht; jacht waarbij het wild eerst in de richting van de jagers wordt gedreven
    «Myslivecké sdružení pořádá tradiční hon na lišku.»
    De jachtvereniging organiseert de traditionele vossenjacht.
  2. haast
  3. sprint
  4. (verouderd)(eenheid) een oud-Tsjechische lengtemaat, van iets minder dan 200 meter
  5. (landbouw) akker met monocultuur
Verbuiging
Synoniemen
  1. honba v, lov monbezield
  2. chvat monbezield, shon monbezield, spěch monbezield, honička v
  3. kalup v, úprk monbezield, honička v
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Meer informatie

Verwijzingen


Wymysoojs

Uitspraak

Werkwoord

hon

  1. hebben

Zelfstandig naamwoord

hon

  1. (vogels) haan
Schrijfwijzen
Antoniemen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon
Naar frequentie 39

Persoonlijk voornaamwoord

hon

  1. zij (vrouwelijke vorm, derde persoon enkelvoud)

Zelfstandig naamwoord

hon

  1. nominatief gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van ho