won

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • won

Werkwoord

vervoeging van
winnen

won

  1. enkelvoud verleden tijd van winnen
    Ik won.
    Jij won.
    Hij, zij, het won.

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.


Engels

Werkwoord

won

  1. verleden tijd van win
  2. voltooid deelwoord van win