won

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • won
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Koreaans, in de betekenis van ‘munteenheid van Zuid- en later Noord-Korea’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1966 [1]

Werkwoord

vervoeging van
winnen

won

  1. enkelvoud verleden tijd van winnen
    • Ik won. 
    • Jij won. 
    • Hij, zij, het won. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Werkwoord

won

  1. verleden tijd van win
  2. voltooid deelwoord van win