hangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • han·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hangen
'ɦɑŋ.ə(n)
hing
ɦɪŋ
gehangen
ɣə'ɦɑŋ.ə(n)
klasse 7 volledig

Werkwoord

hangen

  1. inergatief zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
    • De appels hangen nog aan de boom. 
  2. inergatief door ophanging -meest aan de nek- ter dood gebracht worden
    • Barbertje moest hangen. 
  3. overgankelijk door ophanging -meest aan de nek- ter dood brengen
    • De misdadiger werd vroeg in de morgen gehangen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

hangen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hang

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie