hangen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • han·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aan bovenkant bevestigd door eigen zwaarte neerwaarts gehouden worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hangen
'ɦɑŋ.ə(n)
hing
ɦɪŋ
gehangen
ɣə'ɦɑŋ.ə(n)
klasse 7 volledig

Werkwoord

hangen

  1. inergatief zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
    • De appels hangen nog aan de boom. 
     Decoraties en meubelstukken uit ver van elkaar verwijderde tijdvakken hingen en stonden elkaar met verwondering aan te staren.[2]
  2. inergatief door ophanging -meest aan de nek- ter dood gebracht worden
    • Barbertje moest hangen. 
  3. overgankelijk door ophanging -meest aan de nek- ter dood brengen
    • De misdadiger werd vroeg in de morgen gehangen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

hangen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hang

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen