Naar inhoud springen

hang

Uit WikiWoordenboek
  • hang
enkelvoud meervoud
naamwoord hang hangen
verkleinwoord hangetje hangetjes

dehangm

  1. de neiging tot iets
    • De hang naar een sterke leider is groot in dat vertwijfelde land. 
     Emil en Milan begrepen niks van mijn melancholie Ook mijn hang naar pacifisme vonden ze raar.[1]
     Toch was mijn hang naar vrijheid te groot geworden en de avond voor mijn vertrek nam ik Barbie, Pogue en Goldie even apart om afscheid te nemen.[2]
  2. rond, metalen slaginstrument dat met de handen bespeeld wordt
vervoeging van
hangen

hang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hangen
    • Ik hang. 
  2. gebiedende wijs van hangen
    • Hang! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hangen
    • Hang je? 
     Als het schilderij wordt verkocht, dan hang ik in Parijs aan een muur.[3]
     Als het schilderij wordt verkocht, dan hang ik in Parijs aan een muur.[3]
99 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[4]
  1. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hang
gehang
volledig

hang

  1. hangen
    «Hulle moes jou gehang het!»
    Ze hadden je moeten opknopen!
vervoeging
onbepaalde wijs to  hang 
he/she/it  hangs 
verleden tijd  hanged 
 hung 
voltooid
deelwoord
 hanged 
 hung 
onvoltooid
deelwoord
 hanging 
gebiedende wijs  hang 

hang

  1. onovergankelijk hangen
  2. overgankelijk ophangen