hang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hang hangen
verkleinwoord hangetje hangetjes

Zelfstandig naamwoord

hang m

  1. de neiging tot iets
    • De hang naar een sterke leider is groot in dat vertwijfelde land. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hangen

hang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hangen
    • Ik hang. 
  2. gebiedende wijs van hangen
    • Hang! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hangen
    • Hang je? 


Afrikaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hang
gehang
volledig

Werkwoord

hang

  1. hangen
    «Hulle moes jou gehang het!»
    Ze hadden je moeten opknopen!


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to  hang 
he/she/it  hangs 
verleden tijd  hung, hanged 
voltooid
deelwoord
 hung, hanged 
onvoltooid
deelwoord
 hanging 
gebiedende wijs  hang 

Werkwoord

hang

  1. hangen