hang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hang hangen
verkleinwoord hangetje hangetjes

Zelfstandig naamwoord

hang m

  1. de neiging tot iets
    De hang naar een sterke leider is groot in dat vertwijfelde land.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hangen

hang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hangen
    Ik hang.
  2. gebiedende wijs van hangen
    Hang!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hangen
    Hang je?


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hang
gehang
volledig

Werkwoord

hang

  1. hangen
    «Hulle moes jou gehang het!»
    Ze hadden je moeten opknopen!


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to hang
he/she/it hangs
verleden tijd hung, hanged
voltooid
deelwoord
hung, hanged
onvoltooid
deelwoord
hanging
gebiedende wijs hang

Werkwoord

hang

  1. hangen