oen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oen
enkelvoud meervoud
naamwoord oen oenen
verkleinwoord oentje oentjes

Zelfstandig naamwoord

oen m

  1. (scheldwoord) dom, sullig figuur
    Wat een oen is dat, zeg.
  2. gecastreerde ezelhengst, ofwel ezelruin
    Zij heeft een oen in haar bezit.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.


Welsh

enkelvoud meervoud
oen ŵyn

Zelfstandig naamwoord

oen m

  1. (dierkunde), (zoogdieren) lam