haast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haast
enkelvoud meervoud
naamwoord haast -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

haast v/m

  1. de drang hebben om iets snel te doen
    • Ik heb haast. 
    • Haast is wel geboden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

haast

  1. bijna
    • Dingen die lekker lang duren, lijken haast niet meer te mogen. 
    • Hij wist haast geen woord uit te brengen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
haasten

haast

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van haasten
  2. gebiedende wijs van haasten