ezel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Twee ezels.
[3] Een ezel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ezel
Woordherkomst en -opbouw
[4] Een ezel.
enkelvoud meervoud
naamwoord ezel ezels
verkleinwoord ezeltje ezeltjes

Zelfstandig naamwoord

ezel m

  1. (zoogdieren) Equus asinus, paardachtig dier met lange oren
    • De ezel was continu aan het balken. 
  2. (scheldwoord) domkop
    • Je bent een ezel omdat je de sleutel bent verloren. 
  3. (gereedschap) (schilderkunst) steunmeubel, schildersezel
    • De schilder had het doek op zijn ezel gezet. 
  4. (techniek) de voorste hanger van een windmolen waaraan de vangbalk vooraan met een scharnierpunt vastzit
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De jongste ezel moet het pak dragen
de jongste moet de vervelende klusjes opknappen
  • Een ezel stoot zich in het algemeen geen tweemaal aan dezelfde steen
wanneer iemand een fout heeft gemaakt past diegene er meestal voor op diezelfde fout nog eens te maken
  • Een schop van een ezel kunnen verdragen
je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft
  • Van de bok op de ezel gaan
snel van onderwerp wisselen zonder rode draad
  • Van de os op de ezel springen
steeds van onderwerp veranderen
  • Zolang de ezel zakken draagt, heeft de mulder hem lief
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
ezelen

ezel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ezelen
    • Ik ezel. 
  2. gebiedende wijs van ezelen
    • Ezel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ezelen
    • Ezel je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl