ia

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ia

Werkwoord

vervoeging van
iaën

ia

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van iaën
    • Ik ia. 
  2. gebiedende wijs van iaën
    • Ia! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van iaën
    • Ia je? 

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.


Indonesisch

Woordafbreking
  • ia

Persoonlijk voornaamwoord

ia

  1. hij, zij, soms het
Synoniemen