mus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord mus mussen
verkleinwoord musje musjes

Zelfstandig naamwoord

mus m

  1. (vogels) Passeridae op Wikispecies, een zangvogel behorend tot de wevervogels die zelden ver van de mensen nestelt.
    • Wij hebben vaak mussen in de achtertuin. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Nederlandse muts

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord mus musse

mus

  1. (hoofddeksel) muts


Angelsaksisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *mūs

Zelfstandig naamwoord

mus v

  1. (zoogdieren) muis
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus

Werkwoord

mus

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd gebiedende wijs bedrijvende vorm van musen
Synoniemen
Anagrammen


Latijn

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus

Zelfstandig naamwoord

mūs m

  1. (knaagdieren) muis
  2. (knaagdieren) rat, marter, sabelmarter e.a.
Verbuiging
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: mus rusticus
veldmuis
  • [2]: mus urbanus
stadsmuis


Middelengels

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische mus / mūs

Zelfstandig naamwoord

mus

  1. (zoogdieren) muis of spitsmuis
  2. (figuurlijk) lafaard
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord mús
Naar frequentie 2824
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mus     m: musen
v: musa  
  mus     musene  
genitief   mus'     m: musens
v: musas  
  mus'     musenes  

Zelfstandig naamwoord

mus m / v

  1. (dierkunde), (zoogdieren), (knaagdieren) muis
  2. (informatica) muis, computermuis
  3. (informeel), (eufemisme) een vulgair woord voor vrouwelijk geslachtsdeel

Zelfstandig naamwoord

mus mv

  1. (dierkunde), (zoogdieren), (knaagdieren) Muridae op Wikispecies, een taxonomische familie van knaagdieren
Schrijfwijzen
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

mus, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van mus


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mus     musa     mus
myser  
  musene
mysene  

Zelfstandig naamwoord

mus v

  1. (dierkunde), (zoogdieren), (knaagdieren) muis
  2. (informatica) muis, computermuis
  3. (informeel), (eufemisme) een vulgair woord voor vrouwelijk geslachtsdeel

Zelfstandig naamwoord

mus, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van mus
Schrijfwijzen


Oudsaksisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *mūs

Zelfstandig naamwoord

mus v

  1. (zoogdieren) muis
Schrijfwijzen


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afgeleid van het werkwoord musieć
  • [B] Afgeleid van het Duitse Mousse

Zelfstandig naamwoord

mus monbezield [A]

  1. must
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

mus monbezield [B]

  1. (voeding) mousse


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus

Zelfstandig naamwoord

mus monbezield

  1. (spreektaal) noodzakelijkheid, verplichting
    «I dnes ještě vystupuju na veřejnost moc nerad a jen z musu
    Zelfs vandaag de dag houd ik er nog steeds niet van om in het openbaar te verschijnen en doe het alleen uit noodzakelijkheid.
Verbuiging
Synoniemen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

mus

  1. genitief meervoud van musa


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

mus, g

  1. (dierkunde) muis
  2. (informatica) muis, computermuis