Naar inhoud springen

balken

Uit WikiWoordenboek
Een balkende ezel in het Kamperland.
  • bal·ken
  • In de betekenis van ‘schreeuwen van ezels’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
balken
balkte
gebalkt
zwak -t volledig

balken

  1. inergatief (dierengeluid) iaën, het geluid van een ezel maken
    • De ezel stond in de wei te balken. 

debalkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord balk
     Vlak onder het dak bungelden pterodactylussen aan houten balken, die onder het krachtige geklapwiek van de reusachtige reptielen vervaarlijk kraakten.[2]
     Ik staar naar het plafond. Tussen de houten balken kruipt een dikke spin. Als hij nu zou loslaten, zou hij op mijn gezicht terechtkomen.[3]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]