drug

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

joint met cannabis
Uitspraak
Woordafbreking
  • drug
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verdovend middel’ voor het eerst aangetroffen in 1968 [1]
  • Via het Engelse drug en het Franse drogue uiteindelijk te herleiden tot het Latijnse drogia; mogelijk tevens verwant met droog. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord drug drugs
verkleinwoord drugje drugjes

Zelfstandig naamwoord

drug m

  1. stimulerend, verdovend of hallucinerend middel
    • Heb je wel eens een drug genomen? 
     Ik liep er wat dichter naartoe om te zien wat er aan de hand was en zag twee Park Rangers, federale politieagenten met verstrekkende bevoegdheden. Ze waren met hun zoeklampen een aantal tenten aan het inspecteren op zoek naar drugs.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
drug drugs

Zelfstandig naamwoord

drug

  1. geneesmiddel, medicijn
  2. drug