droog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • droog
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet nat’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen droog droger droogst
verbogen droge drogere droogste
partitief droogs drogers -

Bijvoeglijk naamwoord

droog

  1. geen of zeer weinig vocht bevattend
    • Die broek is weer droog. 
     Het drong langzaam tot me door wat het woord ‘wildernis’ eigenlijk betekende: niet romantisch en mooi, maar zwaar, droog, verlaten en pijnlijk.[3]
  2. zonder gevoel, saai, dor (-> droogkloot)
  3. op een quasi ernstige manier een grap maken
    • Ze is komisch, droog, vilein, naïef en tegelijk berekenend.[4] 
  4. van wijn: niet zoet
    • Mag ik van u een droge witte wijn. 
Antoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
drogen

droog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
    • Ik droog. 
  2. gebiedende wijs van drogen
    • Droog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
    • Droog je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "droog" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. droog op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Herien Wensink 29 september 2016 NRC
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be