droog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • droog
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen droog droger droogst
verbogen droge drogere droogste
partitief droogs drogers -

Bijvoeglijk naamwoord

droog

  1. geen of zeer weinig vocht bevattend
    • Die broek is weer droog. 
  2. zonder gevoel, saai, dor (-> droogkloot)
  3. op een quasi ernstige manier een grap maken
    • Ze is komisch, droog, vilein, naïef en tegelijk berekenend.[2] 
  4. van wijn: niet zoet
    • Mag ik van u een droge witte wijn. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
drogen

droog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
    • Ik droog. 
  2. gebiedende wijs van drogen
    • Droog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
    • Droog je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Herien Wensink 29 september 2016 NRC

Meer informatie