droog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • droog
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen droog droger droogst
verbogen droge drogere droogste

droog

  1. geen of zeer weinig vocht bevattend
    Die broek is weer droog.
  2. zonder gevoel, saai, dor (-> droogkloot)
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
drogen

droog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
    Ik droog.
  2. gebiedende wijs van drogen
    Droog!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
    Droog je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl