centrum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[2] het centrum van Amsterdam
[3] gezondheidscentrum in voormalige kerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord centrum centra
centrums
verkleinwoord centrumpje centrumpjes

Zelfstandig naamwoord

centrum o

  1. middelpunt,in het midden gelegen
    Utrecht ligt niet alleen maar in het centrum van de provincie maar ook in het centrum van Nederland.
  2. binnenstad
    Hij woont in het centrum van Almelo.
  3. plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn
    De huisarts heeft zijn praktijk samen met de apotheek en de fysiotherapeut in het gezondheidscentrum.
  4. (politiek) het midden van het politieke spectrum
    Het CDA is in Nederland een partij in het centrum.
Hyponiemen


Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse zelfstandige naamwoord zenter, dat van het Latijnse zelfstandige naamwoord centrum (=middelpunt) komt, dat weer van het Griekse zelfstandige naamwoord "kéntron" (= stekel, stekelstaf; rustend passerbeen), dat van het Griekse werkwoord "kenteĩn" (= steken, inprikken) afgeleid is
Naar frequentie 4346
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   centrum     centrumet
centret
(centrum)  
  centrum
centrer
centra  
  centrumen
centrerna
(centra)  
genitief   centrums     centrumets
centrets
(centrums)  
  centrums
centrers
centras  
  centrumens
centrernas
(centras)  

Zelfstandig naamwoord

centrum, o

  1. centrum, centrum van de stad, middelpunt
    «Det är inte ofta nya affärslokaler invigs i centrum
    Het gebeurt niet vaak dat nieuwe winkels worden geopend in het centrum van de stad.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen