centrum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] het centrum van Amsterdam
[3] gezondheidscentrum in voormalige kerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘middelpunt’ voor het eerst aangetroffen in 1654 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord centrum centra
centrums
verkleinwoord centrumpje centrumpjes

Zelfstandig naamwoord

centrum o

  1. middelpunt,in het midden gelegen
    • Utrecht ligt niet alleen maar in het centrum van de provincie maar ook in het centrum van Nederland. 
  2. binnenstad
    • Hij woont in het centrum van Almelo. 
  3. plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn
    • De huisarts heeft zijn praktijk samen met de apotheek en de fysiotherapeut in het gezondheidscentrum. 
  4. (politiek) het midden van het politieke spectrum
    • Het CDA is in Nederland een partij in het centrum. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Uitspraak
  • IPA: /tsɛntrʊm/
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn

Zelfstandig naamwoord

centrum o

  1. centrum; binnenstad
  2. centrum; plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn
Antoniemen
  1. periféria
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /tsɛntrʊm/
Woordafbreking
  • cen·t·rum
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn

Zelfstandig naamwoord

centrum o

  1. centrum; binnenstad
    «Penzion se nachází 7 minut chůze od historického centra města.»
    Het pension bevindt zich op zeven minuten lopen van het historische stadscentrum.
  2. centrum; plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn
    «Nákupní centrum se nachází v nejatraktivnější části města.»
    Het winkelcentrum bevindt zich in het attractiefste deel van de stad.
Verbuiging
Synoniemen
  1. střed monbezield, jádro o
  2. středisko o
Antoniemen
  1. okraj monbezield, periferie v
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse zelfstandige naamwoord zenter, dat van het Latijnse zelfstandige naamwoord centrum (=middelpunt) komt, dat weer van het Griekse zelfstandige naamwoord "kéntron" (= stekel, stekelstaf; rustend passerbeen), dat van het Griekse werkwoord "kenteĩn" (= steken, inprikken) afgeleid is
Naar frequentie 4346
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   centrum     centrumet
centret
(centrum)  
  centrum
centrer
centra  
  centrumen
centrerna
(centra)  
genitief   centrums     centrumets
centrets
(centrums)  
  centrums
centrers
centras  
  centrumens
centrernas
(centras)  

Zelfstandig naamwoord

centrum, o

  1. centrum, centrum van de stad, middelpunt
    «Det är inte ofta nya affärslokaler invigs i centrum
    Het gebeurt niet vaak dat nieuwe winkels worden geopend in het centrum van de stad.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen