broek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Een broek.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘laag drassig land’ voor het eerst aangetroffen in 918 [1]
Indo-Europees: mogelijk bhrāg-[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord broek broeken
verkleinwoord broekje broekjes

Zelfstandig naamwoord

[A] broek v/m

  1. (kleding) een kledingstuk met twee afzonderlijke pijpen voor beide benen
    • Ook bij de elegante, wijde pantalons met korte jasjes die de afgelopen week voortdurend voorbij kwamen op de catwalks in Milaan en Parijs - het moet raar lopen, wil de broek met rechte, wijde pijpen geen succes worden - gingen de gedachten geregeld naar Lanvin. Lanvin is een referentiepunt geworden in de mannenmode.[3] 
  2. (valkerij) de vederen die de onderbuik en het halve loopbeen bedekken en in rust vaak de hele poot
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. In dat geval is broek ook verwant met het Latijnse suffrāgō, BROEK (KLEDINGSTUK), etymologiebank.nl
  3. Milou van Rossum NRC 26 januari 2016


Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord broek
verkleinwoord

[B] broek o

  1. een moerassig gebied, moeras
    • Vanaf Asten liep vroeger een voetpad door het broek van Asten, Ommel en Vlierden richting Brouwhuis en Helmond.[1] 

Meer informatie

Verwijzingen

  1. DE VONDER, september 2016