broek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een broek.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broek broeken
verkleinwoord broekje broekjes

Zelfstandig naamwoord

broek v

  1. (kleding) een kledingstuk met twee afzonderlijke pijpen voor beide benen
    • Ook bij de elegante, wijde pantalons met korte jasjes die de afgelopen week voortdurend voorbij kwamen op de catwalks in Milaan en Parijs – het moet raar lopen, wil de broek met rechte, wijde pijpen geen succes worden – gingen de gedachten geregeld naar Lanvin. Lanvin is een referentiepunt geworden in de mannenmode.[2] 
  2. o: een moerassig gebied, moeras
  3. (valkerij) de vederen die de onderbuik en het halve loopbeen bedekken en in rust vaak de hele poot
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Milou van Rossum NRC 26 januari 2016