zwembroek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwem·broek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwembroek zwembroeken
verkleinwoord zwembroekje zwembroekjes

Zelfstandig naamwoord

zwembroek v/m

  1. (kleding) (sport) kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
    • De badgast banjert in zijn zwembroek over de boulevard. 
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be