schijtebroek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schij·te·broek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schijtebroek schijtebroeken
verkleinwoord schijtebroekje schijtebroekjes

Zelfstandig naamwoord

schijtebroek v/m

  1. een lafaard, iemand die niets durft, iemand die in de broek schijt van angst
    • Die jongen is een echte schijtebroek, hij durft niets. 
Synoniemen
  1. lafaard, angsthaas, schijterd

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be