joggingbroek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jog·ging·broek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord joggingbroek joggingbroeken
verkleinwoord joggingbroekje joggingbroekjes

Zelfstandig naamwoord

joggingbroek v/m

  1. (sport) (kleding) broek om mee te kunnen joggen
    • Een joggingbroek zit lekker makkelijk en kan zeker in Almelo ook gedragen worden zonder dat met aan sport doet. 
     Die hoefde ik alleen maar te vinden om haar te vinden, in verhuis-T-shirt en joggingbroek, haar lange donkere haar in een praktisch knotje en misschien met een lik verf op haar neus, zoals in televisiereclames voor jonge gelukkige stellen, tussen de dozen in een huis dat altijd zonnig zou zijn en waar het leven zou beginnen.[1]
Synoniemen
  1. trainingbroek, joggingsbroek

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 22