rot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rot
1 enkelvoud meervoud
naamwoord rot rotten
verkleinwoord
2 enkelvoud meervoud
naamwoord rot
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rot

  1. een persoon die al lang meedraait
    Dat is een oude rot in het vak.
  2. het rottingsproces, bijvoorbeeld van etenswaar
    In die aardappels zit de rot.
Anagrammen
Verwante begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rot rotter rotst
verbogen rotte rottere rotste

Bijvoeglijk naamwoord

rot

  1. verrot, bedorven
    Zo rot als een mispel.
  2. beroerd, onaangenaam
    Hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt.


Duits


Uitspraak
Woordafbreking
  • rot
stellend vergrotend overtreffend
rot
roter
röter
am rotesten
am rötesten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

rot

  1. (kleur) rood
    «Mein Bruder hat rote Haare.»
    Mijn broer heeft rood haar.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • den roten Teppich ausrollen
de rode loper uitrollen (iemand eervol begroeten)
  • der rote Faden
de rode draad
  • die rote Laterne
de rode lantaarn
  • ein rotes Tuch für jemanden sein
op iemand werken als een rode lap op een stier
  • rot werden
rood worden
  • sich etwas im Kalender rot anstreichen
op de kalender iets met rood markeren


Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to rot
he/she/it rots
verleden tijd rotted
voltooid
deelwoord
rotted
rotten
onvoltooid
deelwoord
rotting
gebiedende wijs rot

Werkwoord

rot

  1. rotten, verrotten
    «I hope he rots in jail.»
    Ik hoop dat 'ie in het gevang verrotten mag.


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • rot

Zelfstandig naamwoord

rot g

  1. (biologie) wortel (plant)
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen