politiek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- po·li·tiek
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | politiek | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
politiek v
- datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land, bestuur
- Ik heb geen vertrouwen meer in de politiek.
- beleid (van een regering)
- manier van optreden, handelwijze
- de gezamenlijke politici
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
Meer informatie
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | politiek | politieker | politiekst |
| verbogen | politieke | politiekere | politiekste |
Bijvoeglijk naamwoord
politiek
- betreffende de politiek
- Sinn Fein is de politieke vleugel van de IRA.
- De nationalistische ideologie werd in Noord-Afrika na de Eerste Wereldoorlog de belangrijkste intellectuele en politieke stroming.
- tactisch
Verwante begrippen
behendig, parlementair, sluw, staatkundig, geslepen, listig
Afgeleide begrippen
- politiek-bureaucratisch, politiek-economisch, politiek-financieel, politiek-ideologisch, politiek-juridisch, politiek-maatschappelijk, politiek-sociale
Vertalingen
1. betreffende de politiek