eenmaal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- een·maal
Telbijwoord
eenmaal
- een enkele keer
- Hij heeft die vergissing slechts eenmaal gemaakt.
- nu ~ een herinnering aan een gebeurd feit
- Hij heeft die vergissing nu eenmaal gemaakt.
- als ... ~ geeft een verandering in omstandigheden aan bij een bepaalde gebeurtenis
- Als er eenmaal water door de dijk begint te komen, is een doorbraak onvermijdelijk geworden.