dingo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • din·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hondachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1869 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dingo dingo's
verkleinwoord dingootje dingootjes

Zelfstandig naamwoord

dingo m

  1. (dierkunde) Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

dingo

  1. (spreektaal) gek, maf, getikt, lijp
    «Arletta, je suis dingo de toi!»
    Arletta, ik ben knettergek op jou! [1]
Synoniemen

Verwijzingen