vakantie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·kan·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakantie vakanties
verkleinwoord vakantietje vakantietjes

Zelfstandig naamwoord

vakantie v

  1. een jaarlijkse vrije tijd voor personen in verschillende beroepen en voor leerlingen
    • Wij hebben vanaf morgen vakantie! 
  2. een reis in de vakantie
    • Wij gaan op vakantie naar Kreta. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie