vakantiehuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·kan·tie·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakantiehuis vakantiehuizen
verkleinwoord vakantiehuisje vakantiehuisjes

Zelfstandig naamwoord

vakantiehuis o

  1. vakantieverblijf
    • Sommige mensen hebben een vakantiehuisje als tweede woning, maar je kunt ze ook huren, of er zelfs je permanente woonplaats van maken. 
    • Bij een vakantiehuisje is de locatie van de woning meestal belangrijker dan de kwaliteit van de woning zelf. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie