frí

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

IJslands

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

frí

  1. franco, gratis, vrij
Verbuiging
  • Geen verbuiging vaan het bijvoeglijke naamwoord en geen trappen van vergelijking
Uitdrukkingen en gezegden
  • eiga frí
(bijv. een aantal dagen) vrij hebben
  • frí heimsending
franco huis
  • frí rannsókn
gratis onderzoek
  • gefa einhverjum frí
iemand vrij geven
  • taka sér frí
(een dag) vrij nemen
Klasse n
sterk
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   frí     fríið     frí     fríin  
genitief   frís     frísins     fría     fríanna  
datief   fríi     fríinu     fríum     fríunum  
accusatief   frí     fríið     frí     fríin  

Zelfstandig naamwoord

frí, o

  1. verlof, vakantie
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • fara í frí
met verlof gaan, op vakantie gaan
  • gefa einhverjum frí
iemand verlof geven
  • komast í frí
met de vakantie beginnen
  • vera í fríi
op vakantie zijn
  • þurfa nauðsynlega að komast í frí
toe zijn aan vakantie

Zelfstandig naamwoord

frí

  1. accusatief onbepaald onzijdig enkelvoud van frí

frí

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van frí

frí

  1. accusatief onbepaald onzijdig meervoud van frí