varen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

De S/V Rembrandt van Rijn vaart door de Disco-baai in Groenland.



Uitspraak
Woordafbreking
  • va·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
Indo-Europees: *per-, *por-, *pr-[2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
varen
voer (vaarde[3])
gevaren
klasse 6

zwak -d
gemengd

volledig

Werkwoord

[A] varen

  1. (scheepvaart) zich in een vaartuig voortbewegen
    • Het schip vaart de haven uit. 
    • Zij voeren in hun zeilboot rond de wereld. 
  2. (verouderd), (Vlaanderen, Limburg) zich voortbewegen
    • Hij voer ten hemel. 
    • Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij heen gevaren?[4] 
  3. (verouderd) gezegd van iemands gesteldheid in het algemeen
    • Hoe vaart gij nu, mijn kind?[5] 
  4. (Limburg) autorijden[6]
Opmerkingen
  • Betekenis 1 heeft zich als gevolg van semantische verenging ontwikkeld uit de oudere betekenis 2 en is thans de hoofdbetekenis.
Uitdrukkingen en gezegden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
varen
vaarde
gevaard
zwak -d volledig B


Werkwoord

[B] varen

  1. (verouderd), (onpersoonlijk) onwennig voorkomen, niet meevallen
    • Het vaarde hem al te zeer; de eerste, dikke waterstraal uit de bronne was uitgeloopen, en weinig versch water uit den schoot der aarde kwam toe om haar te voeden.[7] 



Varens in een botanische tuin

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord varen varens
verkleinwoord varentje varentjes

varen v/m

  1. (plantkunde) Pteridophyta op Wikispecies een sporenplant
    • De grond in het bos was bedekt met prachtige varens. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • va·ren

Zelfstandig naamwoord

varen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vare