afvaart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·vaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afvaart afvaarten
verkleinwoord afvaartje afvaartjes

Zelfstandig naamwoord

afvaart v

  1. (scheepvaart) wegvaren van de wal van een vaartuig
    • We hebben gewacht tot de afvaart van de veerdienst. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afvaren

afvaart

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvaren
    • ... dat jij afvaart. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvaren
    • ... dat hij afvaart. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be