momentum

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·men·tum
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan Engels momentum (zie benedenstaande), gepopulariseerd via Engelstalige media en literatuur sinds de eeuwwisseling.
enkelvoud meervoud
naamwoord momentum -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

momentum o

  1. duidelijk toenemende voortgang
    • Door zijn lange aarzeling verloor hij het momentum. 
     Het woord ‘momentum’ bijvoorbeeld, dat is nu helemaal ‘in’. Iemand zegt dan opeens: ‘Er moet een momentum gecreëerd worden.’ Dat irriteert me mateloos. Het woord momentum is meer een soort mediamoment.[1]
     Er ontstond wat de Engelsen ‘momentum’ noemen, een intense sfeer van nieuwsgierigheid naar wat er zou volgen.[2]
  2. (natuurkunde) hoeveelheid beweging; product van massa en snelheid
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 16-10-2023 Weblink bron
    Erik de Bruin, Menno Wiegman
    Vooys, Jaargang 23 (2005), Vooys, Utrecht in: Een grootvader vertelt, Kees van Kooten over zijn gevoel voor humor, p. 44 op dbnl.org op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 16-10-2023 Weblink bron
    Lutgard Mutsaers
    Ons Erfdeel, Jaargang 40 (1997), Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonkveer in: Pop in je moerstaal. Durf en variatie in de Nederlandstalige popmuziek: een ‘beweging’ werd volwassen, p. 78 op dbnl.org op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
momentum momenta
momentums

Zelfstandig naamwoord

momentum

  1. (natuurkunde) impuls, de massa vermenigvuldigd met de snelheid.
  2. vaart, gang.
    «In this collision the larger car had considerable momentum
    Bij deze botsing had de grotere auto een flinke vaart.
    «His political campaign had little momentum
    Er zat weinig vaart in zijn politieke campagne.


Latijn

Woordafbreking
  • mo·men·tum
Woordherkomst en -opbouw
  • Samentrekking van *movimentum, dat afgeleid is van mŏvēre met het achtervoegsel -mentum.

Zelfstandig naamwoord

mōmĕntum o

    1. beweging
    2. (overdr.)
      1. afstand
        1. tijdperk, tijdsafdeling, ogenblik
        2. onderdeel van een rede
        3. uitgangspunt
      2. beslissing, uitslag, verandering
    1. beweegkracht, stoot, druk, zwaarte
    2. (fig.)
      1. invloed, oorzaak, beweeggrond
      2. aanwending van krachten, van middelen
      3. beslissende kracht, invloed, gewicht, betekenis
Verbuiging