sneltreinvaart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snel·trein·vaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sneltreinvaart sneltreinvaarten
verkleinwoord sneltreinvaartje sneltreinvaartjes

Zelfstandig naamwoord

sneltreinvaart v/m [1]

  1. hoge snelheid als van een trein die lange afstanden in korte tijd aflegt (zelden letterlijk gebruikt)
  2. (figuurlijk) grote snelheid, hoog tempo
    • In 1987 stond de Tweede Wereldoorlog na jaren van betrekkelijke stilte weer in het brandpunt van de belangstelling. In medische kring — en met sneltreinvaart ook onder het publiek — vond de overtuiging ingang, dat de 'late psychische gevolgen' van de oorlog, die net in die jaren aan het licht kwamen, te wijten waren aan de wijze waarop politiek en samenleving in de eerste naoorlogse decennia met het oorlogsverleden waren omgegaan. 1[2] 
    • Terwijl ze bezig was met het openen van de pagina's, het in sneltreinvaart lezen van teksten en het maken van notities bespeurde ze een groeiend gevoel van tevredenheid. Dit was haar passie. Research. Dit kon ze uren volhouden. Spitten, net zolang tot alle feiten en onderlinge verbanden op tafel lagen en de waarheid werd onthuld. [3] 
Typische woordcombinaties
  • in sneltreinvaart
    in hoog tempo
  • met een sneltreinvaart
    vliegensvlug
Antoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Withuis, Jolande Juliana (2016) ISBN 978-90-234-3523-5 pagina 466
  3. Berg, Michael Een echte vrouw (2010) ISBN 978-90-443-2721-2 pagina 135