trekvis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trek·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trekvis trekvissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trekvis m [1]

  1. een soort vis die periodiek grote afstanden aflegt
    • Zes natuurorganisaties krijgen 13,5 miljoen euro om het getijdenlandschap in het Haringvliet, pal onder Rotterdam, in ere te herstellen. Als Rijkswaterstaat in 2018 de deuren van de Haringvlietsluizen op een kier zet, kunnen trekvissen weer vanuit de rivieren naar zee zwemmen. [2] 
    • Eerder werd al bekend dat er ook een kronkelrivier wordt aangelegd waardoor trekvissen makkelijker van zoet (IJsselmeer) naar zout water (Waddenzee) en vice versa kunnen zwemmen. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen