overtrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·trek
enkelvoud meervoud
naamwoord overtrek overtrekken
verkleinwoord overtrekje overtrekjes

Zelfstandig naamwoord

óvertrek m en o

  1. een stuk stof dat aangebracht wordt als bedekking van iets, bijvoorbeeld een meubelstuk

Werkwoord

vervoeging van
overtrekken

overtrék

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overtrekken
    • Ik overtrek. 
  2. gebiedende wijs van overtrekken
    • Overtrek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overtrekken
    • Overtrek je? 

Werkwoord

vervoeging van
overtrekken

óvertrek

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overtrekken
    • ... dat ik óvertrek. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie