trekbal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trek·bal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trekbal trekballen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trekbal m [1]

  1. bal die achterwaarts in de richting van het vijandelijke doel wordt geschoten
    • Herinneringen aan de monsterzege van twee weken geleden kwamen even bovendrijven bij een deel van de Grolse aanhang, maar zover kwam het dit keer niet. Een trekbal van Daan van de Ven werd door Dennis Aertz via de onderkant van de lat ingeschoten: 2-2. [2] 
    • Niet bij een doeltrap, niet bij een ingooi, niet bij een corner, niet bij trekbal, niet bij een scheidsrechtersbal, niet bij een actie vanaf eigen helft, niet als de bal van de tegenstander komt. Het toestaan van niet hinderlijk buitenspel staan, heeft het spel voor een verdediger alleen maar moeilijker gemaakt.” [3] 
  2. soort stoot bij het biljarten
  3. spel waarbij twee spelers met twee touwen een bal op-en-neer laten schieten

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen