honger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord honger
verkleinwoord hongertje hongertjes

Zelfstandig naamwoord

honger m

  1. behoefte aan voedsel
    • Hij had honger gekregen van al dat sneeuwruimen. 
  2. levensbedreigend tekort aan voedsel
    • De honger die volgde op de misoogst was verschrikkelijk. 
Spreekwoorden
  1. Honger is de beste saus.
    Als je grote honger hebt, smaakt alles veel lekkerder.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hongeren

honger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hongeren
    • Ik honger. 
  2. gebiedende wijs van hongeren
    • Honger! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hongeren
    • Honger je? 

Verwijzingen