najaarstrek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·jaars·trek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord najaarstrek najaarstrekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

najaarstrek m [1]

  1. (biologie) de reis die een soort in de herfst aflegt
     Wit oplichtend op de grond achter in de binnenplaatsen symboliseerden de omgekeerde bootjes hetzelfde als elders de najaarstrek van de kraanvogels of de eerste sneeuw.[2]
     Het ministerie benadrukt dat de najaarstrek van de vogels volgens deskundigen voorbij is. "De vogels blijven nu op de plek waar zij zijn, tenzij ze door de strenge vorst of sneeuw verder moeten trekken omdat voedsel onbereikbaar wordt", laat het ministerie weten.[3]


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028261396
  3. Bronlink geraadpleegd op 3 april 2022 Weblink bron “Schouten: nog geen ophokplicht voor pluimvee” (16-01-2020), NOS