tang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een (combinatie-) tang

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tang
enkelvoud meervoud
naamwoord tang tangen
verkleinwoord tangetje tangetjes

Zelfstandig naamwoord

tang v/m

  1. (gereedschap) een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op een punt aan elkaar vastzitten en die gedraaid kunnen worden om dingen vast te houden of de knippen
    • Zou ik jouw tang even mogen lenen? 
  2. een kwaadaardig wijf
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • als een tang op een varken slaan
    nergens op slaan
Overerving en ontlening
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Indonesisch

Woordafbreking
  • tang
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tang

  1. (gereedschap) tang